In een tweetal recente uitspraken stond de vraag centraal of – en in hoeverre – er sprake is van een arbeidsrelatie (ofwel arbeidsovereenkomst) tussen werkplatforms en hun gebruikers (‘werkers’). Helpling en Temper verbonden beiden werkzoekenden aan potentiële opdrachtgevers, maar door een aantal kleine verschillen was de typering van de contractuele relatie tussen het platform en de werker in beide zaken substantieel anders. Geïnteresseerd in het oordeel van de kantonrechter? Lees dan snel verder!
Helpling
Het inmiddels failliet verklaarde Helpling was een platform waarop schoonmakers gekoppeld werden aan gezinnen die op zoek waren naar hulp voor de huishoudelijke diensten. Beiden konden hier een profiel aanmaken en, na het vinden van een “match”, een (digitale) overeenkomst sluiten.
Nadat een van de schoonmaaksters zich bij Helpling had ziekgemeld en had verzocht om loondoorbetaling tijdens ziekte, is haar door Helpling verteld dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Derhalve maakte zij geen aanspraak op de reguliere doorbetaling van het loon tijdens ziekte (104 weken). Volgens Helpling werd hun onderlinge relatie niet geregeerd door het BW (‘arbeidsovereenkomst’), maar door de Regeling dienstverlening aan huis (hierna: ‘RDH’). Dit betekent dat de relatie tussen partijen niet onder het reguliere arbeidsrecht valt. Dit zou voor de schoonmaakster onder meer inhouden dat zij in plaats van 104 weken loondoorbetaling bij ziekte, slechts aanspraak zou maken op 6 weken doorbetaling van het loon tijdens ziekte. De schoonmaakster was van mening dat sprake was van een dienstverband en zij is daarom naar de rechter gestapt.
Oordeel kantonrechter: Helpling
De kantonrechter oordeelde in eerste instantie in het voordeel van Helpling. Er was geen sprake van een arbeidsrelatie ofwel dienstverband tussen de schoonmakers en Helpling. De schoonmakers konden immers onder meer zelf inplannen waar en wanneer ze (wilden) werken en hoe ze de werkzaamheden uitvoerden. Helpling zou hierin dan ook enkel een faciliterende rol verlenen. Naar het oordeel van de kantonrechter ontbrak enig gezag vanuit Helpling jegens de schoonmakers.
Het gerechtshof dacht hier anders over. Uit artikel 7:610 BW volgt dat sprake is van een arbeidsrelatie ofwel arbeidsovereenkomst wanneer “een werknemer in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid verricht.” Volgens het gerechtshof was hieraan voldaan, nu de schoonmakers wel degelijk onder het (formele) gezag van Helpling stonden, zij loon ontvingen en arbeid verrichtten. Aangezien zowel de betalingen als de tarieven door Helpling geregeld c.q. bepaald werden kon er ook geen sprake zijn van slechts een faciliterende rol (middels het aanbieden van het platform om partijen bij elkaar te brengen). Het gerechtshof oordeelde dat zodoende sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Het gerechtshof heeft vervolgens beoordeeld of sprake is van een bijzondere arbeidsovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers, zoals een uitzendovereenkomst. Deze vraag dient naar het oordeel van het gerechtshof ook bevestigend beantwoord te worden. Er is volgens artikel 7:690 BW sprake van een uitzendovereenkomst wanneer de arbeid exclusief onder het gezag van de inlener plaatsvindt. Nu de schoonmakers uitgeleend werden door het platform om bij gekoppelde huishoudens te werken, is hier sprake van. De huishoudens gaven immers de concrete werkinstructies aan de schoonmakers. Dit gebeurde buiten het gezichtsveld van Helpling.
Zowel de FNV, Helpling alsook de advocaat-generaal waren het oneens met het oordeel van het gerechtshof. Zij waren allen van mening dat een huishouden (die gebruik maakte van de diensten van de werkers) geen inlener zou kunnen zijn. Toch heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof bekrachtigd. Noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit het stelsel van de wet zou namelijk blijken dat een huishouden geen inlener zou kunnen zijn. Het oordeel van het gerechtshof bleef dan ook in stand: de schoonmakers bij Helpling werkten op basis van een uitzendovereenkomst.
Temper, wat maakt het verschil?
De Temper-uitspraak staat in scherp contrast met de eerdere uitspraken over een soortgelijk platform (Helpling). Tussen Temper en haar werkers bestond, ondanks het feit dat zij ook zelfstandigen ofwel werkers koppelde aan potentiële huishoudens, naar het oordeel van de kantonrechter geen arbeids- of uitzendovereenkomst. Het verschil tussen beide uitspraken zit hem in een klein aantal aspecten. Een voorbeeld: Temper legde, in tegenstelling tot Helpling, geen disciplinaire maatregelen (bijvoorbeeld een waarschuwing) op bij het niet op komen dagen door de werkers, verplichtte hen niet om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en betaalde de vergoeding niet rechtstreeks aan de werkers, maar liet dit door de huishoudens zelf doen. Dit alles maakt dat er volgens de kantonrechter bij Temper geen sprake was van formeel werkgeversgezag en zodoende, dat er tussen Temper en de werkers geen sprake was van een uitzend- en/of arbeidsovereenkomst.
Conclusie
Samengevat is het voor ondernemers nog altijd mogelijk om een platform op te zetten zonder dat hiervoor een uitzend- of arbeidsovereenkomst met de werkers ontstaat. Hierbij is het van belang dat de overeenkomsten op juiste wijze worden geformuleerd. Heeft u vragen over platformwerk, of kunnen wij u helpen bij het opstellen van een overeenkomst? Neem dan snel contact op met een van onze arbeidsrechtspecialisten!